
De verhuizing van Gouda naar Nunspeet leek een einde te maken aan mijn dichtersrol. Als afscheidscadeau heb ik een bundel gemaakt van 12 gedichten die ik als dichter van dienst bij eenzame begrafenissen maakte en 12 waarbij de overledene en ik elkaar kenden. Dat was het en het was mooi geweest.
En dan gaat alles toch door, maar dan anders. In september afgelopen jaar werd ik benaderd door de zus van een hele goede vriendin van ons. Ze wist dat ze ongeneeslijk ziek was, kende mijn gedichten en had nagedacht over haar afscheid. Ze vroeg mij om een gedicht voor de eredienst.
We spraken af en hebben ruim anderhalf uur met elkaar gesproken, ik vooral luisterend, met af en toe een vraag. Haar man, predikant, was hierbij. Hem vroeg ik of het niet logischer was dat hij zelf een verhaal zou doen, maar hij was stellig in zijn weigering. Begrijpelijk. Mij werd ook gevraagd het gedicht bij de dienst voor te dragen.
In vrij korte tijd heb ik het gedicht geschreven en liet haar de keuze dit wel of niet al te willen lezen. Dat wilde ze. Ze was er gelukkig blij mee en na wat kleine maar belangrijke aanpassingen, is de tekst definitief geworden.
Vorige week is ze overleden. Deze week was de begrafenis. In een van de mooiste kerkjes die ik ooit heb gezien, in Kolderveen, aan het einde van de langste laan met beuken die we ooit afgingen, kwamen we bij elkaar. De kerk was vol, overvol, maar net zo belangrijk was de beeldverbinding met Australië, de VS en vooral met Israël. De net uitgebroken oorlog in het Midden-Oosten verhinderde hun komst. Voor iedereen die niet aanwezig kon zijn is een kaars aangestoken.
Mijn bijdrage, haar ‘levensgedicht’, was aan het begin van de dienst. Dat was passend omdat het een gelaagd portret was van haar leven en de verschillende fasen in haar leven en hoe ze daar in stond, inclusief de relatie met haar man in een huwelijk dat in mijn ogen juist door hun tegenstellingen zo mooi was. Voor degenen die haar kenden moet het herkenbaar zijn geweest, voor alle anderen was het een ontmoeting met de hele vrouw.
Het gedicht leent zich niet goed om te delen. Daarvoor bevat het teveel specifieke details en moet u de voordracht missen die het tot een geheel maakt. Maar wellicht kunt u zich voorstellen dat het een heel bijzonder moment was. En vooral dat het een moment van troost was.
Het heeft me ook doen nadenken over de vraag hoe ik een ‘poezieportret’ maak en of ik opnieuw ja tegen zo’n vraag zou zeggen. Het antwoord is natuurlijk bevestigend. Wat is het een voorrecht om je talent voor zoiets te mogen inzetten. Maar dat is voor later. Nu mag ik terugdenken aan het gedicht voor haar. En de onmogelijkheid ervan. Hoe kan je in de beperkingen ervan een heel leven recht doen? Daarom eindigde ik met: “de dingen die ik niet kon raken zijn met haar leven vol gezegd”.